|
De Grote Kerk van Schermerhorn Wie de kerk van Schermerhorn ziet vraagt zich af hoe het zo'n klein dorp aan zo'n grote kerk komt. Wij moeten ons realiseren dat de kerk werd gebouwd in de Gouden Eeuw. De tachtigjarige oorlog was nog niet afgelopen, maar de provincies Holland, Zeeland en Utrecht hadden niet veel last meer van oorlogshandelingen. Amsterdam was het centrum van de wereldhandel. Visserij en walvisvaart waren belangrijke bronnen van inkomsten. Kustvaarders en binnenschepen brachten de waren naar de Oostzee en naar Duitsland. Hollandse schepen voeren naar Indië, Amerika, Afrika en China om goederen te halen en te brengen. Natuurlijk woonden er in Schermerhorn arme mensen. Maar er waren ook rijke mensen. De kerk werd betaald uit plaatselijke belastingen. Kennelijk was er genoeg geld voor zo'n groot gebouw. Honderd jaar later was de situatie dramatisch veranderd. De economie stond er slecht voor en allerlei oorlogen kostten handen vol geld. Na de grote brand die Schermerhorn in 1699 teisterde, trokken veel dakloze gezinnen weg om elders een nieuw bestaan op te bouwen. Het dorp werd veel armer en dat had ook gevolgen voor de kerk: er was niet veel geld meer voor het onderhoud. Dat had nadelen, zoals verwaarlozing van de gebrandschilderde ramen en de verkoop van bezittingen om reparaties te financieren. Anderzijds had het een groot voordeel: er is weinig veranderd aan de kerk. Het gebouw staat er, ruim 350 jaar later, nog precies bij zoals het gebouwd is. Noodkreet 'zodat haar ingezetenen door de kleine kerk verhinderd werden te komen tot het gehoor van Gods, waardoor de gemeente bedroefd werd en de voortplanting van de ware religie gestuit' Dat is de noodkreet waarmee die van Schermerhorn zich in 1634 tot de overheid richten met een verzoek om toestemming tot de bouw van een kerk. Want wie denkt dat er 'vroeger' veel meer vrijheid was, vergist zich. Er waren regels, wetten, voorschriften. Er was vergunning nodig om een gebouw neer te mogen zetten en er was toestemming nodig om plaatselijke belasting te mogen heffen ter financiering van de bouw. De geschiedenis van de grote kerk begint in 1604 met een ruzie tussen die van Schermer (het huidige Grootschermer) en die van Schermerhorn, twee dorpen die samen één kerkgemeente vormen. Op de plaats waar nu molen 'De Havik' staat, stond de ruïne van een oude kerk. Beide dorpen willen graag de restanten daarvan gebruiken: die van Schermer voor een nieuwe parochiekerk en die van Schermerhorn voor herstel van de kapel in het dorp. Ze kunnen hierover niet tot overeenstemming komen en leggen hun geschil voor aan de overheid. Verdeling van de oude kerk Op 24 juni 1604 spreken de Gecommitteerde Raden over het verschil van mening tussen Schermer (het huidige Grootschermer) en Schermerhorn. Het volgende voorstel komt aan de orde: die van Schermer mogen de ruïne afbreken en een nieuwe parochiekerk bouwen, op eigen kosten en buiten laste van die van Schermerhorn. Die van Schermer moeten van de afgebroken kerk aan die van Schermerhorn geven: twee binten, de tegelvloer en baksteen. Die mogen gebruikt worden voor reparatie van de kapel in Schermerhorn. Als er zerken in de kerk zijn (eigendom van de kerk) zullen deze half om half gedeeld worden. Niet inbegrepen zijn de zerken van particuliere personen. Die mogen de nabestaanden meenemen. Na verdere onderhandelingen wordt 1604 besloten tot de volgende verdeling: •Schermer en Schermerhorn zullen de kerk in kwestie samen afbreken •van materiaal dat van de kerk en de vloer komt krijgt Schermer 2/3 deel en Schermerhorn 1/3 deel •Schermer mag de klok die in de kerk hangt houden •de zerken van particuliere personen mogen door de familie worden meegenomen •Schermer mag een andere parochiekerk mag bouwen op eigen kosten en buiten de lasten van die van Schermerhorn •alle goederen en inkomsten van de kerk blijven van beide partijen gezamenlijk •alles wordt geregeerd en geadministreerd door twee kerkmeesters van Schermer en een kerkmeester van Schermerhorn •Schermerhorn krijgt voortaan om het andere jaar eveneens twee kerkmeesters •uit de goederen wordt onderhouden een gezamenlijke kerkdienaar van wie zij allebei zullen genieten de halve dienst •de reparaties zowel aan de nieuwe kerk van Schermer, als aan de kapel van Schermerhorn, worden betaald uit het overschot van de gezamenlijke kerk-goederen; zo die niet voldoende zijn uit de respectieve plaatselijke belasting. In 1634 vragen die van Schermerhorn vergunning voor de bouw van een kerk. Eerst leggen zij uit waarom er een nieuwe kerk nodig is: door ouderdom kwam hun kerk steeds meer te vervallen en mede door de zegeningen van God Almachtig nam de gemeente dagelijks hoe langer hoe meer toe, zodat 'haar ingezetenen door de kleine kerk verhinderd werden te komen tot het gehoor van Gods woord, waardoor de gemeente bedroefd werd en de voortplanting van de ware religie gestuit werd'. Zij schatten dat de bouw van een nieuwe en grotere kerk ongeveer 14.000 gulden zal kosten. Ter vergelijking: een groot huis kostte in die tijd circa 4000 gulden. Schermerhorn heeft geen andere middelen dan de 180 gulden per jaar die afkomstig zijn van de heffingen op bier. Men verzoekt toestemming om een aantal belastingen te mogen heffen op bier, graan, turf, dieren, onroerend goed en schepen. Op 10 augustus 1634 verlenen de heren Gecommitteerde raden van het Noorderkwartier toestemming voor de volgende heffingen voor de tijd van zes jaar: • 24 stuivers van iedere ton bier die bij de tappers en 6 stuivers van elke ton bier die bij de ingezetenen van Schermerhorn ingeslagen en geconsumeerd zullen worden • 3 stuivers van iedere zak graan die binnen het dorp wordt gemalen en gebakken of die hun ingezetenen in andere dorpen laten malen of bakken • 1 stuiver 8 cent van elke zak rogge • 2 centen van iedere mand turf die binnen het dorp gemeten en opgeslagen wordt • 1/80 deel van de waarde van alle beesten die daar worden gestoken of geslagen • van iedere gulden 2 penningen op alle onroerende goederen en schepen van vier last en daarboven die binnen Schermerhorn zullen werden verkocht hetzij bij openbare veiling, hetzij ondershands • 6 gulden van ieder koopvaardijschip van hun ingezetenen en schippers • 3 gulden van stuurlui van haringschepen • 3 gulden van boeiers en hamburgervaarders Tevens wordt gegeven: • vrijstelling van belasting op steen, kalk, leien, lood en andere materialen die zij voor de opbouw en reparatie van de kerk nodig hebben • vrijdom van bier dat de kerkmeesters voor hun arbeiders nodig hebben gedurende de timmeragie en opbouw van de kerk • vrijdom van 1/40 deel van de huizen en erven die zij tot vergroting van hun kerk en kerkhof nodig hebben. Toen de vergunning verleend was en de financiering rond, kon er eindelijk gebouwd worden! Volgens een oud rijm gebeurde dit met veel geestdrift; dit rijm staat boven de grote binnendeur, onder de schildering van het heiwerk. De eerste steen is vermoedelijk gelegd op 1634. Op 19 december 1635 is voor de eerste keer in de nieuwe kerk gepreekt door dominee Petrus Cabbeljauw. Het eerste kind dat in de nieuwe kerk werd gedoopt was Frans Cornelisz uit de Beemster. Het eerste paar dat hier in de kerk is getrouwd, was Cornelis Lubbersz en Magteltje Pieters. Het eerste glas was van de stad Alkmaar in 't Oostend van de kerk, en 't laatste van de Uitwatering der Sluizen. Het eerste geld dat alhier in 't kerkzakje is gelegd was van ene Jacob Reierszn. Jacob Reiersz. was schoolmeester en voorzanger in Schermerhorn. Hij ligt begraven in de kerk. 'In de traditie van voor de hervorming' Het kerkgebouw is gebouwd op palen en staat in het 'oude land', dat is het land dat van oudsher droog lag binnen de zeedijken. Het gebouw is georiënteerd (naar het oosten gericht). De rechthoekige plattegrond heeft een middenschip en zijbeuken. De toren is gedeeltelijk ingebouwd. De stenen van de kerk zijn waarschijnlijk afkomstig van steenovens uit de regio. Bekend is dat er steenbakkerijen in West-Friesland stonden. Aan de oostgrens van het grondgebied van Alkmaar stonden rond 1530 drie steenovens. De klei werd gehaald uit de Wogmeer, de Schermer en de Heerhugowaard. De stenen zijn 25 x 12 x 5 cm groot, een formaat dat meer voorkomt bij gebouwen uit die tijd. In de kerk zijn 715.000 stenen verwerkt: 326 buitenmuren, 74.000 binnen (kolommen) en 315.000 in de toren. De galerij (hangkamer) naast de toren is gebouwd ten behoeve van de diaconie, zoals blijkt uit de tekst op het buitenschot. Na de hervorming hadden de kerken meestal blanke muren en beschilderde gewelven. Hiermee wordt een middeleeuwse traditie voortgezet. Dergelijk schilderwerk is ook te zien in Schermerhorn. Het houten tongewelf is geïnspireerd op middeleeuwse vormen. Op een van de balken van het gewelf staat het wapen van Edam op een ovaal schild. Daarbij leest men: C,W,H 17, [ Jan Jansz Vijselaer van Edam 1634 ] 67 L,C,W,H Vijselaer was de bouwer van de kerk. De initialen CWH (Cornelis Hendriksz Wees Hoff) en LCWH (Laurens Cornelisz Wees Hoff) zijn van de schilders die in 1767 het gewelf hebben overgeschilderd. Boven de deur bevindt zich een binnenklok die met een ketting werd aangedreven door het grote uurwerk. De maker was Jacob Lambertz Terbrugge, die ook het uurwerk van de kerk in Graftdijk maakte. Het uurwerk van Schermerhorn bevindt zich niet meer in de kerk, het is een keer als oud ijzer verkocht. In de kerk hangen drie koperen kerkkronen. Het zijn waarschijnlijk giften, al weten we niet wie de schenkers waren. De provincie Noord-Holland telt in totaal 47 scheepjes in kerken, waarvan 17 uit de zeventiende eeuw. In Schermerhorn hangen twee modellen, namelijk van oorlogsschepen. Bijna waren de twee bootjes voor de kerk verloren gegaan: de directeur van het Rijksmuseum te Amsterdam wist omstreeks 1914 te verhinderen dat ze aan een antiquair in Alkmaar werden verkocht. De herkomst van de twee scheepjes is niet meer te achterhalen. Het zijn beide blokmodellen, dat wil zeggen dat ze uit een massief stuk hout gemaakt. Er hangen enkele borden in de kerk: 1. Het memoriebord boven de hoofdingang toont twee kerken, die van Mijzen en die van het Schermereiland. Daarnaast bevindt zich een afbeelding die het uitzetten en heien van de huidige kerk laat zien. 2. Naast de toren, aan de noordzijde, is een hangkamer getimmerd, waarop staat: 'Ick sorg voort gemeen voor kerck en Christi leen' 3. Op het ordonnatiebord maakt de kerkmeester bekend wat verboden is in het gebouw en welke straffen er staan op overtreding. 4. Vrijwel alle gereformeerde kerken hebben een tiengebodenbord. In Schermerhorn hangt het aan de oostzijde van de noorderbeuk. Het bord vermeldt het jaartal 1622, wat zou betekenen dat het uit de oude kapel afkomstig is. 5. Het rouwbord of wapenbord dat voor in de kerk hangt heeft oorspronkelijk bij een graf gehoord. De oorsprong van rouwborden ligt in de rooms-katholieke periode, maar zette zich in de protestantse tijd in verhevigde mate voort. 6. Begraafbord. Begraven worden binnen de kerkmuren was al heel lang een voorrecht voor de welgestelden (rijke stinkers). Voor de kerk was het gunstig om binnen de muren te mogen begraven. Dit verhoogde het aanzien en de inkomsten. Zo was het voor de reformatie, en zo bleef het erna. In de kerk hangt een plattegrond waarop de graven staan aangegeven, het bord met het gravenplan. Dit oude bord (1636) is het eerste gravenplan van de kerk en heeft geen relatie meer met de graven in de kerk. Toren In de toren hangen twee klokken. De grootste van 1,33 meter middellijn heeft als randschrift: 'Soli Deo Gloria Assverus Koster me fecit Amstelredami Anno 1635' Lager staat het wapen van Schermerhorn en in een cartouche: 'Ick roep tot godts leer alle mensch Ick deyl dag en nacht na wensch Ick donder vreugt met mijn geluyt In droefheyt krijt ick claegend uyt' De tweede klok van 0,90 m middellijn heeft als randschrift: 'Sit nomen Domini benedictum F. en P. Hemony me Fec Zutphaniae Anno 1653' Oorspronkelijk was er geen orgel in de kerk. Het orgel is gebouwd in de achttiende eeuw en van Rijnlandse makelij. Het werd in 1879 door F. Leichel, Düsseldorf, geleverd en geplaatst in het koor. In 1896 is het verplaatst naar de ruimte tussen de toren en de zuidmuur (boven de consistorie). In 1903 wordt een concert gegeven ten bate van een restauratie van het 'vrijwel onspeelbare instrument'. De opbrengst is 400 gulden, waarvan de restauratie en enkele jaren stemmen bekostigd kunnen worden. Glazen In 1740 schrijft G. Boomkamp een boek getiteld 'Stadt Alkmaer met haare dorpen'. Daarin beschrijft hij onder andere de kerken in de omgeving van Alkmaar. Genoemd worden ook alle gebrandschilderde ramen en hun schenkers die in deze kerken aanwezig zijn. Voor Schermerhorn zouden dat zijn: 1. Alkmaar 2. Edam 3. Medemblik 4. Hoorn 5. Enkhuizen 6. Monnikendam 7. Purmerend 8. Amsterdam 9. Kerkeraad 10. 10 Zuid-Hollandse steden 11. 7 West-Friese steden 12. De heren van de grafelijkheidsrekening van Holland 1636 13. Salomons eerste gerecht en de namen der schepenen 14. Schermeer 15. Beemster 16. de Uitwaterende sluizen 17. Kerkmeesters en weesmeesters Wellicht waren in 1740 dus nog 17 glazen aanwezig Nu zijn er 11 gebrandschilderde glazen. 1. Medaillon-glas 2. Salomo's eerste gericht 3. Schermers beschermer 4. Het eerste concilium 5. Beemsterlands wapen 6. Medemblik 7. Edam 8. Hoorn 9. Alkmaar 10. Enkhuizen 11. Monnikendam Brand Helaas is er maar weinig bekend over de beginjaren van de kerk en de gemeente. Dat komt doordat in 1699 een deel van Schermerhorn in vlammen opging. De notulen van de kerkeraad van Schermerhorn beginnen eind 1699 met de volgende opmerkingen: ‘Handelingen der Kerkeraad tot Schermerhorn na de brand aldaar ontstaan op 3 november 1699, waardoor 63 huizen, bewoond door 78 huisgezinnen, en enige pakhuizen zijn verteerd, onder de bediening van Gerardus Lonius in de heilige dienst bevestigd door Adrianus Bijl de 3 september anno 1679.’ De voorgaande kerkelijke handelingen onder de bediening van Jan Jansz Steengracht, Jacobus Hollebeek en Petrus, Cabeljauw, Jacobus Klerk, Fanciscus Ridderus, Wilhelmus van Wingen, David Ania, Wilhelmus Hondius en van gemelde G. Lonius zijn door de voornoemde brand verslonden en vergaan. Schermerhorn doet bij de Staten Generaal opgaaf van de geleden schade: meubelen 15.649 huizen 33.147 koopmanschap en gereed geld 23.026 pakhuizen 920 sluis en brug 630 brandgereedschap 360 kerkgoed 36 73.768 Er wordt geld opgehaald, waarvan de regenten van Schermerhorn een deel willen gebruiken voor de opbouw van het predikantshuis. Zij krijgen hiervoor toestemming, mits de kosten de 2500 gulden niet te boven gaan. Dit huis staat er nog steeds, namelijk het huidige Westeinde 22. Aan de rampspoed lijkt geen einde te komen. In april 1702 verbranden er 11 à 12 huizen bewoond door 16 huisgezinnen en in 1732 vallen 5 woonhuizen en een pakhuisje ten prooi aan het vuur. Een kostbaar bezit Op 10 mei 1894 wordt de kerk voor de openbare dienst gesloten, teneinde het gebouw te kunnen restaureren. Het werk wordt opgedragen aan de heer Jb. v.d. Capelle, timmerman in Schermerhorn. Op zondag 10 mei 1896, precies twee jaar later, wordt het gerestaureerde kerkgebouw feestelijk ingewijd. Enkele genodigden komen met de tram, zoals jonkheer Schorer, de commissaris van de Koningin, jonkheer B.W.F. van Riemsdijk, conservator van het Rijksmuseum te Amsterdam en mevrouw Wertheim-Bicker. Deze mevrouw maakte in 1892 een reis naar Amerika en zij logeerde in New York bij familie. Daar maakte zij kennis met de heer William Schermerhorn. Toen zij in 1893 vernam dat de kerk van Schermerhorn nodig onderhoud behoefde, heeft zij de heer Schermerhorn in New York aangeschreven en hem gevraagd een financiële bijdrage te leveren aan de restauratie. Architect A.A. Kok uit Amsterdam stelde in november 1946 een rapport op over de toestand van de kerk in verband met eventuele restauraties. Hij vindt dat de armelijke toestand van de Hervormde Gemeente een goede kant heeft gehad: 'Een der merkwaardigheden van het bouwwerk is, dat het er nog net zo staat als het gemaakt werd. Er is nooit aan verbouwd of geprutst, behalve enkele kleinigheden. Het interieur van de kerk is een kostelijk en ongeschonden voorbeeld van een Hervormde Kerk. De donkere vloer (Naamse steen), de witte wanden en kolommen met stompe spitsbogen, het kleurige gewelf, de kleurige vensters, de donkere borden tegen de lichte wanden, het eikenhouten kerkmeubilair, de koperen kaarsenkronen, de twee scheepjes, de oude stoeltjes in het schip vormen met elkaar een schoon geheel.' Het rapport van architect Kok uit 1946 merkt op: 'Het kerkbezoek is gering. Dit heeft twee hoofdredenen. Eerst doordat het kerkgebouw onderkomen, verwaarloosd, vochtig en koud is. Verder doordat het kerkelijk leven, vroeger vrijwel geheel hervormd, uiteengevallen is. Ook de autobus naar de voetbalwedstrijd in Alkmaar doet mee.' In 1946 begint men Monumentenzorg, de restauratiecommissie van de Nederlands Hervormde Kerk en de gemeente brieven te sturen met verzoek om subsidie voor de restauratie. In november 1946 maakt architect A.A.K. Kok een rapport op behorende bij de aanvragen. De begroting komt dan uit op: toren 20.000 (eigendom gemeente Schermerhorn), omgeving 5000 (rechthuisje, bestrating enz), kerk van buiten 31.550; kerk van binnen 17.000 gulden. Op 19 februari 1952 komt er een brief van Monumentenzorg dat de begroting is goedgekeurd minus enkele posten. Het totale bedrag wordt 64.300 gulden. Maart 1952: het dak is gerestaureerd, de kosten zijn 37.000 gulden. Voor de rest van de kerk komt dan 51.750 gulden op de begroting. De ramen worden apart genoemd en geschat op 11.850 gulden. Bijkomend zijn de elektriciteit (2000) en het meubilair (4750 gulden). In februari 1953, tijdens de zware storm, waaien er ramen in. De kerkvoogdij verzoekt om geld voor de restauratie. Men vindt het echter zonde alleen de ramen te restaureren, terwijl de hele kerk wel een opknapbeurt kan gebruiken. Oktober 1954 gaat er een begroting naar de kerk voor het tweede deel van de restauratie. De kosten worden geschat op 74.450 gulden. Steeds meer wil men aanpakken, zoals een winterkerk en verwarming. Dit zal de besluitvorming niet versneld hebben. In een brief van 14 oktober 1960 deelt de kerkvoogdij mee dat zij het tweede gedeelte van de restauratie wil beginnen. Het eerste gedeelte, de restauratie van de kappen en dakbedekking, is uitgevoerd in de jaren 1950 1951. Nu zijn de gevels en het inwendige aan de beurt. De gebrandschilderde ramen werden in 1940 uitgenomen en nooit herplaatst, doch wel hersteld. Ze staan nog steeds in de kelder te Paasloo. De kosten van restauratie en herplaatsing worden geschat op 155.400 gulden. Op 24 juli 1964 komt er een brief van monumentenzorg over het laten restaureren van het kerkgebouw tot een totaalbedrag van 252.343 gulden. Rijk, provincie en gemeente subsidiëren 236.843 gulden; de kerkvoogdij moet 15.500 gulden op tafel leggen. Een schilderij Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam bezit een schilderij getiteld 'Hangscheepje in de Nederlands Hervormde Kerk te Schermerhorn', geschilderd in 1892. In de zomer van 1997 kon de Oudheidkundige Vereniging dit schilderij lenen. Drie maanden lang was het te bewonderen in de Grote Kerk. Het toont vrouwelijke kerkbezoekers in klederdracht en een deel van het interieur. Te zien zijn een pilaar, een hangscheepje en de trap naar de hangkamer. En wat verrassend is: schilderij en werkelijkheid komen nog steeds heel erg met elkaar overeen. De banken rond de pilaren waren bestemd voor de notabelen zoals de schout en schepenen. (Met dank aan de "Oudheidkundige Vereniging Het Schermereiland" die deze tekst beschikbaar heeft gesteld) |